Wist u dat: de achterdam op 100 meter van de wereldberoemde kaasmarkt ligt
Vragen of meer informatie nodig? Mail of 072 515 06 29

We doen een grote stap terug in de tijd. Archeologisch onderzoek legt de ontstaansgeschiedenis van de Achterdam bloot. De smalle straat vormt met de evenwijdig aan de Achterdam lopende Voordam één bouwblok. Deskundigen schatten dat het blok in de eerste helft van de 14 eeuw is ontstaan. Mogelijk houdt de aanleg verband met de grote stadsbrand van 1328. Na die brand is de stad in oostelijke richting uitgebreid. De Achterdam vormt de begrenzing van het havengebied.

Stadsarcheoloog Peter Bitter:
‘Het gebied is thans nog opvallend hoog gelegen, evenals trouwens het aansluitende gedeelte van het Fnidsen, namelijk tot ongeveer hetzelfde peil als de Houttil. De opmerkelijke ophoging van dit gebied kan te maken met de buitendijkse ligging. Een andere verklaring kan worden gezocht in een mogelijke verplaatsing van de waterkeringen. In de Rekere was een dam gelegd om het brakke water te keren dat via de Rekere landinwaarts kon opstuwen. De oudste dam lag ter plekke van de huidige Dijk en er werd op de Rekere afgewaterd via een (spui-)sluis bij de Kaarsemakersgracht. Wellicht werkte men rond 1325-1335 aan een nieuwe dam bij Voordam-Achterdam, die via het Fnidsen aansloot op de dijk bij de Langestraat. Opmerkelijk genoeg werd de Zijdam van origine gespeld als Zijl-dam. Zat hier wellicht ooit een zijl, oftewel een sluis? Als dit een schutsluis was, dan zou er een binnenhaven zijn ontstaan tussen de kade van de Mient en de Voordam. Daarbij heeft men de sluis aan de Kaarsemakersgracht evenwel niet verwijderd, want deze was in 1395 nog in gebruik’.

Bij recente opgravingen aan de Achterdam zijn in funderingen, die blijkens het erbij gevonden vondstrnmateriaal in het derde kwart van de veertiende eeuw zijn aangelegd, veel hergebruikte bakstenen aangetroffen van groot formaat. Er zijn stenen bij met een lengte van 38 cm. Deze zouden afkomstig kunnen zijn van de sloop van het nabij gelegen kasteel Torenburg. Tijdens de bouw van 1254/1255 zal ongetwijfeld vooral baksteenbouw zijn geweest. Mogelijk was er toen een grote bakstenen hoofdtoren neergezet, waaraan het kasteel haar naam ontleende.

De naamgeving van de op een verhoging aangelegde straat verandert in de loop der eeuwen. In 1476 is het de Afterdam, daarna d' Afferdam en in 1796 komen we in oude akten het Kuijpersglop tegen. Tussen 1492 en 1519 vermeerdert het aantal bouwkundige opstallen van 18 naar 22. De Achterdam wordt omschreven als 'één der dammen van een stuk bij de Dijk aangewonnen grond'.

In de 17e eeuw hebben de meeste panden in de Achterdam namen. Zo vinden we er 'In De Vergulde Woelen', 'De Lindenboom', 'De Vergulde Arent' en 'De Spruytende Uyens'. We vinden er dan al een koperslager, kistenmaker, kuiper, linnenwever, touwslager, de bakker en een smid. En pakhuisjes, veel pakhuisjes. In de ambachtelijke straat wordt al lang de wekelijkse melk- en botermarkt gehouden. Als in 1612 het gerucht gaat dat de markt dreigt te worden verplaatst richten de bewoners zich in een brief aan het stadsbestuur voor behoud van hun markt.

Alkmaar omstreeks 1560, omringd door meren.
In 1649 is de stad beveiligd door walmuren en grachten.

Brandstichting
De Achterdam komt in 1860 negatief in het nieuws. Halverwege september van dat jaar ontstaat er brand in de woning achter de winkel van Kern. De inboedel is goed verzekerd. Een bijzonderheid in die tijd. Een ooggetuige meldt dat rond middernacht de brand is ontstaan. Buren en brandweer zijn snel ter plaatse. Hierdoor blijft een deel van het winkelwoonhuis gespaard.

De Alkmaarsche Courant meldt de volgende dag, dat nog tijdens het blussen van de brand de winkelier in hechtenis wordt genomen op verdenking van brandstichting. Een dag later blijkt dat het om de inwonende broer van de winkelier gaat.

De officier van justitie brengt Kern voor de rechtbank. Hij eist de doodstraf omdat de man mensenlevens in gevaar heeft gebracht. Het provinciaal gerechtshof veroordeelt de broer van de winkelier uiteindelijk tot twaalf jaar tuchthuis. Er is geen bewijs dat de brandstichter mensenlevens in gevaar heeft gebracht.

Wieldraaier Adam Oomstede adverteert in 1798 in de AC.
16 december 1891: brand bij Bruin.

Evert Masdorp
Op 23 oktober 1871 overlijdt Evert Masdorp op 53-jarige leeftijd. Deze geboren en getogen Achterdammer genoot grote bekendheid als schrijver en dichter onder de pseudoniem Rosmade. Evert ziet begin 1818 het licht als negende kind van broodbakker Dirk Masdorp en Grietje Maas. Vader Dirk had vroeger gevaren en ‘bezat de rondheid en kloekheid van den zeeman’. Moeder Masdorp kwam van Hoorn en was een verstandige, fijngevoelige vrouw.

De bekende Alkmaarse literator W.F. Hofdijk herinnert zich in 1871 na het overlijden van Evert:
‘Beide ouders wensten niets liever hun kinderen een opvoeding te geven, die ze tot degelijke burgers der maatschappij zou vormen. De grote beklantheid van hun bakkerzaak stelde hen daartoe ruimschoots in staat. Maar om den lees- en leerlustigen Evert, die reeds vroeg blijk van bijzondere aanleg gaf, voor een hogere wetenschappelijke werkkring op te leiden was het gezin te talrijk. De knaap toonde echter weinig lust voor enig handwerk of een zaak. De kleine bibliotheek van vader -bestaande voor een niet gering gedeelte uit reisbeschrijvingen- trok hem daarentegen sterker aan. Daarom werd onderwijzer Prosman geraadpleegd, by wie hij ter schole ging en op diens aanraden kwam men tot het besluit dat Evert schoolmeester zou worden’.

Evert vermaakte in zijn vrije tijd zijn leeftijdgenootjes met een marionettentheater op de zolder van de buurman, die schoenmaker was. Daar was het iedere zondagavond, onder toezicht van de meiden en knechten van de schoenmaker en de bakker, feest. Hofdijk:

‘Het was op een heerlijke zondagavond in de nazomer van 1831 of 32, toen een vijftal opgeruimde knapen, van veertien tot zestien jaar, de lommerloze weg wandelden die, tussen weelderig groene beemden, van Bergen naar Alkmaar slingert. Jan en Carel Ukena, Jan en Willem Sieuwerts en Evert Masdorp - wie kende niet dat levenslustige groepen van vijf, dat nu en dan rumoer maakte in het kleine stadje, waar alles toch ‘zoo fatsoendelyk’ toeging?
Zij hadden een genotvolle dag doorgebracht op de gele duinen en in het groene woud; zij hadden hun dorst gelest aan de melkton van dezen of genen boer; zij hadden hun honger gestild met pannekoeken in een landelijke woning aan de voet van het duin - maar bovenal hadden zij volop genoten van de rijkdom der natuurschoonheid, in dat oord zo in overvloed aanwezig, en waarvoor die wilde knapen zulk een open zin bezaten. Daarbij kwam dat zij wat natuurlijke historie liefhebberden, planten droogden, kevers en vlinders verzamelden, en vogels opzetten, hetgeen hen zoo recht in het natuurleven rondom hen heen thuis maakte. Bovendien - en dit onderscheidde hen ook wel iets van de meesten hunner leeftijdgenoten binnen de goede stad - zij lazen graag en hielden hun lektuur niet besloten binnen de grenzen van het romangebied’.

Op het sterfbed van vader moet Evert in mei 1836 beloven dat hij zich het lot van het gezin aantrekt en de bakkerij voortzet. ‘Zorg voor uwe moeder, voor uwe broeders en zusters - bezorg de bakkerij’, is de laatste boodschap.

‘En de diep bedroefde zoon legde zijn hand in die zijns nu gerust stervenden vaders. Zwaarder offer werd misschien nooit gebracht - maar het gegeven woord is onkreukbaar en mannelijk gehouden’.

Dertig jaar lang oefent Evert een ‘vijandig beroep’ uit. Ondertussen schrijft hij anoniem onder het pseudoniem Rosmade. Want een broodbakker uit de Alkmaarse Achterdam die het onderhoud van zijn moeder en acht zusters is opgedragen, is bij voorbaat kansloos literair succes te oogsten. Rosmade kweekt een naam onder ‘Neêrlands meest oorspronkelijke novellisten’.

‘Toch heeft hem die maatregel niet geheel kunnen vrijwaren van het kwaad dat hij vreesde: de benaming ‘geleerde bakker’ en de term ‘Schoenmaker! houd u bij uwe leest!’ zijn menigmaal zijn deel. Inderdaad deed hy zulks dan ook, beter dan menigeen, die in maatschappelyken stand zoogenaamd boven hem stond: zijn handwerk met nauwgezet plichtgevoel drijvende, besteedde hy zijne weinige vrije uren immer aan den arbeid des geestes, en de roemwaardige helden van biliardstok en kaartenbladen hebben hem nooit tot de hunnen kunnen rekenen. Eenigzins is dit een schaduwzijde: buiten den kleinen vriendenkring verkeerde hy te weinig in de samenleving, tengevolge waarvan zijne ontwikkeling niet zonder eenzijdigheid bleef, en zijne vormen immer iets hoekigs hebben behouden’.

Toch handhaaft Evert zich als bakker op de Achterdam. Hij oogst veel waardering onder de handwerkslieden en winkeliers om hem heen in de straat, evenzo als met de kleine burgers, de Noordhollandse- en de Westfriese boer. Op marktdagen, vrijdag en zaterdag, komen dezen naar oud gebruik hun koffie drinken en ‘boltjens’ eten in zijn winkel. In zijn novellen spreekt het dagelijks leven en zijn historische verhalen leggen het karakter en de eigenaardigheden van de Hollandse landlieden bloot. Hofdijk:

‘Ik herinner mij dat de edele geleerde Van Lennep, op bezoek bij mij in Alkmaar zei: ’’Ik ben nog eens bij je vriend geweest; hij zat weer tot aan zijn ellebogen in het deeg!’’.

In april 1866 loopt zijn beloofde taak af. Moeder wordt goed verzorgd als de laatste kinderen zijn uitgevlogen. De bakkerij wordt verkocht. Evert ontplooit zich als actief bestuurslid in de Alkmaarsche Afdeeling der Maatschappij van Kunst en Wetenschappen en de Vereeniging tot viering van Alkmaars Ontzet.


‘Eenmaal altoos vrede’
De schrijver leidt een karig bestaan. Begin oktober 1871 grijpt hij het baantje van administrateur van de Waag met beide hand aan. Hij is dan ook klerk bij de griffie van de rechtbank. Ondertussen voltooit Evert zijn laatste literaire productie ‘Een Heidensche Koningszoon’, waarin de laatste punt staat achter de zin:
‘En in het stille van den nacht verheft de Opperpriester van Hertha dankbaar den blik naar den sterrenhemel, en verdiept zich in gissingen over den onbekenden Schepper des heelals. Het zachte gerucht, verre over de duinen, door het ruischen der zee veroorzaakt, schijnt hem toe te fluisteren: ‘Eenmaal altoos vrede!’.

Hofdijk weet zich te herinneren:
’Bij de toezending der kopij schreef hij mij: ‘Met genoegen herinner ik mij steeds het laatste bezoek in uwe vriendelijke woning. Groet uwe gastvrije Gezellinne, en zeg haar dat ik spoedig de belofte van logeren tot daad zal komen maken.'' Wij zouden elkander nimmer weêrzien. Sinds 25 oktober 1871 rust zijn stof op het lommerrijk kerkhof bij Alkmaar, te midden der schone natuur die hem zo lief was, onder de zerk die ook het gebeente zijner ouderen dekt. Een hartelijke vriend, de Bouwmeester en Steenhouwer Stoel, richtte er een klein, smaakvol gedenkteeken op, den eenvoud des edelen ontslapenen waardig’.

1913: De voorraad kuipen van Stikvoort.
De Achterdam in 1920.

Pieter Bezaan
De Achterdam kent meer beroemde zonen. Pieter Bezaan is een bekende neringdoende in Alkmaar. Zijn vader start een horlogemakerij in 1827 in de Boterstraat. Zoon Pieter duikt in juli 1854 voor het eerst op, als hij via een advertentie twee leerlingen vraagt voor zijn uurwerkmakerij die aan de Mient is gevestigd. Bezaan verhuist van de Mient naar het Waagplein en via de Boterstraat naar de Achterdam. Daar specialiseert hij zich tot befaamd uurwerkmaker en specialist in de aanleg van bliksemafleiders.

De Alkmaarse uurwerkmaker wordt in 1872 de hemel in geprezen. Volgens de krant is hij de enige torenuurwerkmaker in de provincie. Hij maakte eerder een uurwerk voor de kerktoren in Burgerbrug en nu heeft hij een nieuwe uurwerk voor het raadhuis op Vlieland.

In plaats van de gebruikelijke spilgang bij een uurwerk, is voor de Vlielandse raadhuisklok de regulateurgang toegepast. Hierbij wordt door een schakelrad, zoals bij een chronometer, door een langere en zwaardere slinger de beweging van het uurwerk gemakkelijker geregeld. Inmiddels werkt Bezaan aan een nieuw uurwerk voor de katholieke kerk in ´t Veld.

Horloge- en uurwerkmaker Bezaan behoort tot de betere stand binnen de burgerij. Hij bezit het kiesrecht voor de gemeenteraad. Alleen de hoogste klasse van de samenleving mag ook voor de Provinciale Staten en de Tweede Kamer kiezen. Die eer is Pieter niet beschoren.


Hendrik Oortmeijer
Kuiper Oortmeijer vestigt zich in 1853 aan de oostzijde van de Achterdam. Hij neemt de kuiperij over van Frederik Landman. Aan de westzijde, nu nummer 6, koopt hij een pakhuis.

Op 14 maart 1894, half negen 's avonds, luidt de brandklok op het dak van het stadhuis. Juist op het moment, dat de leden van de turnclub Kracht en Vlugheid (het brandweerkorps K&V bestaat nog steeds) zich oefenen in de bestrijding van brand. Er is een brand op de vliering van kuiper Oortmeijer in de Achterdam. Er ligt veel hout en het gevaar dreigt voor een snelle uitbreiding van het vuur. Omdat de spuitgasten standby zijn wordt erger voorkomen. Twee jaar later komt de kuiper weer in het nieuws. De zolderverdieping van zijn pakhuis aan de overkant is ingestort. Op een open terrein ernaast zijn werklieden bezig een nieuwe pand neer te zetten. Wonder boven wonder raakte er niemand gewond.


Kooltuin dempen
Achterdam en Kooltuin zijn door de eeuwen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Niet in de laatste plaats omdat de achtergevels van de oostzijde van de Achterdam in het water van de Kooltuin staan. Halverwege de Achterdam wordt de oostelijke gevelwand doorbroken door een glop, dat als aanlegplaats voor schepen dienst doet.

De Kooltuin is onderdeel van het grachtenstelsel in de binnenstad van Alkmaar. De grachten dienden eeuwenlang tot open riool voor bevolking en ambachtelijke industrie. Door gebrek aan onderhoud waren de grachten, zowel bij warm zomerweer als met ijs in de winter als alle vuilnis bleef liggen, een bron van stank en dus ergernis voor de bewoners. Om die reden zijn in de tweede helft van de 19e eeuw de Laat en de Nieuwesloot gedempt.

In 1909 lijkt de Kooltuin aan de beurt. Eind juni is de stank weer eens niet te harden en hebben talrijke ratten vrij spel. Bewoners van de Kooltuin schrijven ingezonden stukken in de krant dat nu toch eindelijk de Kooltuin moet worden gedempt. De industrieel, uitvinder en amateurstedenbouwkundige Jan Pot, later raadslid, meldt dat als de gracht gedempt wordt een prima uitvalsweg vanaf het Luttik Oudorp naar de Kanaalkade kan ontstaan. In de gemeenteraad zegt Gerrit van den Bosch (margarinefabrikant) dat dempen van de gracht de enige oplossing is om de overlast te verhelpen. Het raadslid gaat nog verder. De oostelijke gevelwand van de Achterdam moet ook maar gesloopt worden, want er wonen maar twee gezinnen, de rest zijn toch maar pakhuizen.

Daarop meldt zich ‘Een pakhuisbewoner’, die Van den Bosch er op wijst dat in de totaal zestien opstallen aan de oostkant van de Achterdam, niet twee maar tien gezinnen wonen die hun huiskamer aan de achterkant, dus grachtzijde hebben. De bewoner van het ambachtelijke straatje vraagt zich af, of meneer de fabrikant soms iedere woning die minder is dan een villa, misschien onder de rubriek pakhuizen rangschikt. Van den Bosch woont op dat moment in een villa op de hoek van de Geestersingel en de Helderseweg, naast zijn margarinefabriek.

Er ontstaat een heftige polemiek van voor- en tegenstanders van dempen. Zelfs de Rotterdamsche Courant bemoeit zich ermee. De Alkmaarse Kooltuin en de Achterdam worden door de voorstanders van behoud van pittoreske grachtjes en straatjes tot welhaast nationaal erfgoed gepromoveerd. De modernistische grachtendempers trekken aan het kortste eind. Wel belooft de gemeente de door stank gekwelde omwonenden dat de gracht zal worden uitgebaggerd en de burgerij wordt gewaarschuwd dat het in de gracht werpen van afval en vuilnis streng zal worden gestraft. Het zal niet bij de enige poging blijven de Kooltuin te dempen. Nadien is nog talrijke malen geprobeerd de Kooltuin te dempen, tot zelfs het ‘Basisplan 1967’, waarvoor de basis werd gelegd door de landelijke stedenbouwkundige Wieger Bruin, en dat maar door een nipte raadsmeerderheid werd afgewezen. Als Bruin zijn zin had gekregen scheidde nu een brede verbindingsweg de binnenstad in twee stukken. Er zouden ruim honderd monumentale panden zijn gesloopt.

In 1919 vertrek de weduwe Oortmeijer uit de Achterdam. Het pand komt in handen van de kuipersfamilie Stikvoort. De familie Stikvoort zal zijn stempel zetten op de ontwikkeling van de Achterdam. Coen Stikvoort sterft in 1967. Met hem gaat de laatste Alkmaarse kuiper heen. Broer Bernhard is dan al zeven jaar dood. Hij was ook kuiper en legde zich later toe op het vervaardigen van fijnere houtwaren zoals dienbladen. Derde broer Koos (1891-1975) verruilde het kuipersvak voor het kunst schilderen.

1954: Kuiper (kunstschilder) Koen Stikvoort aan het werk.
De straat in rust, omstreeks 1960.

Kuiperssteeg
In de volksmond werd de Achterdam niet voor niets als 'Kuiperssteeg' aangeduid.
Als Coen Stikvoort in 1967 overlijdt op 75-jarige leeftijd, gaat de laatste nog werkzame kuiper in Alkmaar heen. Oud-winkelier, kunstschilder en verzamelaar Rein Bankert (1899-1971) geboren en getogen in de nabij gelegen Hekelstraat, herinnert zich de situatie in de Achterdam van ver voor de oorlog nog glashelder. ‘Het oude ambacht van kuiper behoort tot het verleden’, zegt Bankert in 1967.

Tot in de jaren twintig waren in Alkmaar nog een vijf kuipers. Vier ervan waren in de Achterdam gevestigd. Om te beginnen de familie Stikvoort, waarvan voorouders reeds in het begin van de negentiende eeuw in deze straat woonden en waarvan Coen Stikvoort de rij afsloot. Zijn broer Koos had al geruime tijd tevoren de kuipershamer voor het schilderspenseel verwisseld.

Rein Bankert:
‘In hetzelfde schilderachtige straatje kon men nog een drietal beoefenaren van hetzelfde ambacht aantreffen, namelijk Oortmeijer, Vlaar en Kaal. Menigmaal heb ik deze mensen in actie gezien. Het was een zeer schilderachtig beeld, vooral als de schemering in het oude straatje viel, wanneer de kuipers op het met keien bestrate vierkant voor hun huis een vuurtje stookten in het te maken vat, hetgeen voor het spannen van de duigen noodzakelijk was. Daarna klonk het monotone gehamer op de ijzeren ringen, die de vorm aan het vat moesten geven; daarmee werden de duigen bij elkaar geklemd, voordat de hoepels er omheen gingen.

Nog niet zo lang voor zijn dood zag ik Coen Stikvoort op die manier bezig aan een mooi ovaal tonnetje. Ik kreeg daarbij een uitvoerige uitleg van hem over de houtsoort, over het verloop van de vlam in de duigen, het juiste passen van de banden en wat dies meer zij. Tot enkele dagen voor zijn dood heeft Coen nog gewerkt’.
Broer Bernard Stikvoort - in 1960 overleden - was van huis uit ook kuiper, maar hij gaf de voorkeur aan het fijnere werk. Hij vervaardigde gekuipte schenk- of dienbladen. De andere drie vakgenoten maakten hoofdzakelijk de door veel boeren en tuinders gebruikte vaten, karntonnen en houten emmers.

‘Maar als zij voor hun winkel bezig waren bij hun traditionele vuurtjes, was het aanschouwen van hun arbeid niet minder schilderachtig. Maar dit alles is nu historie geworden’.

In de Achterdam werd nog een ander, eveneens eeuwenoud vak, beoefend: het bezembinden door Evert . J. Bakker, die op 7 mei 1937 op 90-jarige leeftijd jaar is overleden.

‘Nog in het laatst van zijn leven kon men hem in zijn bescheiden werkplaats op vakkundige wijze heideboenders en bezems van berkentakken zien binden. Vele malen heb ik met bewondering gezien, op welke handige wijze hij uit een weerbarstig bos heidestruiken en berkentakken een prachtig afgeronde bezem wist te maken. Nu ziet men deze bezems vrijwel niet meer gebruiken; machinaal vervaardigde bezems hebben de berkebezem vervangen’.
Voor 1900 waren er nog enkele andere bezembinders, maar Bakker is de laatste geweest. Hij heeft het werk tot zijn dood toe volgehouden.

‘Nog zie ik hem in mijn herinnering voor mij: een stevige oude baas, flink van postuur, het enigszins lange gezicht omzoomd door bakkebaarden. Behalve bezembinder is hij ook veertig jaar lang kaasdrager geweest, tot hij op zijn zeventigste jaar door de gemeente werd gepensioneerd; hij kreeg een uitkering van f 160,- per jaar’.
In vroegere jaren zal er wel geen boer zijn geweest, of hij had van Rozenhart de hoofdstellen, leidsels en andere onderdelen van het paardentuig betrokken. Doordat de paarden plaats maakten voor trekkers, is de afzet van deze onderdelen sterk verminderd, maar door het toenemen van de ruitersport werden nog veel zadels gevraagd en zo is, aldus herinnert Rein Bankert zich in 1967

‘dit artikel momenteel een van de houtproducten van dit bedrijf. Het voortbestaan van de zaak is zo goed als verzekerd, omdat de zoon van Jan Rozenhart sr. nu zijn vader in het bedrijf bijstaat zodat men de beide mannen er tegenwoordig samen kan zien werken’.


Alkmaarsche Courant
Het oudste bedrijf dat aan de Achterdam was gevestigd is de Alkmaarsche Courant. De erven Sterck, eigenaar de krant, verhuisden in 1817 naar de oostzijde in de Achterdam bij de Zijdam. Achter het winkeltje waar schrijfbenodigdheden en snuisterijen werden verkocht, stond een handpersje van het merk Degel.

De familie Sterck gaf sinds 1799 de Alkmaarsche Courant uit. Eerst wekelijks in dubbel gevouwen A4-formaat, later in groter formaat, meer pagina's en als dagblad. Gelijk met de groei van de krant is de drukkerij uitgebreid en ging de krant over in handen van Hermanus Coster, die midden in de straat aan de westzijde een grote drukkerij liet bouwen met een winkel aan Voordam. De redactie van de krant is tot de Tweede Wereldoorlog liberaal getint. De stadsredactie van de krant, deel van het Noordhollands Dagblad (HDC), is nog steeds aan de Voordam gevestigd met een personeelsuitgang die op de Achterdam uitkomt.

De dagelijks productie van de krant vond tot de verhuizing in de jaren vijftig naar de Helderseweg, in de Achterdam plaats. Vooral de inkt- en papiertoevoer zorgt voor veel verkeer. Voeg daarbij de aan- en afvoer van goederen voor de overige bedrijfjes. In de jaren twintig van de 20e eeuw wekt de verkeersoverlast steeds vaker de aandacht van politie en gemeente. Eerst mogen alleen nog smalle wagens door de straat en vervolgens wordt eenrichtingverkeer ingesteld. Pas in de jaren zeventig wordt de Achterdam voet- en fietsstraat.

In de zomer van geeft 1936 de chef van de letterzetterij Willem J. van Randwijk de pijp aan Maarten. De man die juist 67 jaar was geworden vond het welletjes en zei het lood vaarwel. Zijn zetmachine voor de productie van letters, woorden en regels ten behoeve van de krant kreeg een andere baas. Willem had er 55 jaar opzitten. Direct na de lagere school was het knulletje Van Randwijk op twaalfjarige leeftijd in de korte broek naar de Achterdam gebracht om de weg te worden gewezen in de drukkerij. Willem bracht het tot chef-zetterij. Toen hij begin juli 1936 afscheid nam sprak directeur C. Krak mooie woorden van dankbaarheid. Zowaar hoofdredacteur Tjeert N. Adema was aanwezig. De laatste hield een gloedvol betoog boordevol waardering aan het adres van de man met wie hij zo vaak onenigheid had gehad.

De industriële revolutie en daarmee gepaard gaande uitbreiding van bedrijven gaat voorbij aan de Achterdam. De oude ambachtelijke bedrijfjes houden stand. Alleen de drukkerij van de Alkmaarsche Courant volgt de technische vooruitgang op de voet. In juli 1940 vinden we de eerste vermelding van een bezoek van leerlingen van de openbare lagere Lindenschool aan de drukkerij en redactie van de krant. Wel komen we ook regelmatig jubilea tegen van ondernemers en hun personeel.



Touwslagerij Balder
Touwslager Jansen van Jorksveld is in september 1942 een halve eeuw werkzaam bij Balder. Schoenmaker Cornelis Führman jubileert een jaar later en viert dat hij 25 jaar eerder zijn schoenmakerij aan de oostzijde van de Achterdam opende, nadat de schoenenfabriek in de Achterstraat was gesloten. Cornelis was de derde generatie schoenlappers. In 1947 beklaagt de schoenmaker zich in de krant over de steeds hoger wordende sociale lasten. In 1953 is het echtpaar Fuhrmann dertig jaar gehuwd en bestaat de zaak vijftig jaar. Decennia later staat de naam van de schoenmaker nog fier op de gestukadoorde achtergevel, zichtbaar vanaf de Kooltuin.


Zadelmaker Arend Rozenhart
Begin 1944 bestaat de zadelmakerij van Arend Rozenhart (1918) anderhalve eeuw. Het opgezette paard in de etalage, met de nijver werkende Arend Rozenhart op de achtergrond is voor velen een nog levende herinnering. Arend vertegenwoordigt de derde generatie zadel en tuigmakers. Hij weet nog van de buitenpoorters die met hun koetsen en tilbury’s via de Schermerpoort en de Friesebrug op de Dijk hun wagens neerzetten en de paarden uitspanden voor een nieuw tuig of zadel. Tijdens de barre winters waren het de opgetuigde sleeën door paarden getrokken, die voor de zadelmakerij stilhielden. In 1951 overlijdt Arend Rozenhart sr. De vierde generatie zet de kuiperij voort.

Als in augustus 1982 een brand het naastgelegen pand op de hoek van de Dijk in de as legt, is de schade bij de zadelmaker Rozenhart jr. groot. Het einde van de zadelmakerij? ‘Ammenooit niet. De verzekering dekt de schade, we gaan gewoon door’. Kort daarop gaat het oude ambachtelijke bedrijf op nummer 3 toch dicht. Er komt een bordeel. Arend sterf in 1951 op 86-jarige leeftijd.


Kuiper Koos Stikvoort
De kuiperij van Koos Stikvoort haalt in mei 1948 de krant met een foto voor de werkplaats met een manshoge kuip voor de wasserij van Krom. Koos maakt liever schilderijtjes dan kuipen. Zijn somber getinte paneeltjes zijn geliefde kunstwerken bij de Alkmaarders. Broer Bernard maakt liever dienbladen van hout dan zoutvaten of biertonnen. Koen richt zijn huis in als museumpje voor zichzelf, vol oude rariteiten.

Pogingen in 1974 een Stikvoortmuseum in het pand Achterdam 10 te realiseren strandden. Koos overlijdt een jaar later op 84-jarige leeftijd. In 1992 verschijnt een boek over de kuiperkunstenaar.

Jeannette Stikvoort (1900), zuster van Koos en Koen, vraagt in 1963 aan buurman Jaap Hos, bewoner van nummer 7, of hij een bod wil doen op het vervallen pakhuis op nummer 23. Dit vrijstaande pakhuis was lang in gebruik bij Stikvoort senior Hendrik Bernhard. Senior gebruikte het naastgelegen galop voor de opslag van vaten. Jaap Hos doet bod op het vervallen pakhuis en de verkoopster vraagt of hij ook nummer 7 wil kopen. De koop wordt voor een bedrag van fl.15.000 gesloten. Jeannette verhuist naar Egmond aan Zee. Jaap Hos vindt op de zolder van nummer 7 een grote collectie tekeningen van vooral Bernhard Stikvoort, maar ook werk van zijn broer Koos Stikvoort. Die collectie is nog steeds in bezit van Hos.

Jaap maakt restauratieplan voor nr.7. Later verkoopt Hos nummer 7 aan J. Akkerman, een alleenstaande bijzondere man. Door vererving gaat het pand naar Henk Krabbendam, inclusief het servituut dat er nimmer prostitutie in het pand mag plaatsvinden. Krabbendam biedt pand later aan Koos Nool. Die vreest het servituut. Vervolgens koopt de gemeente het pand.

In 1960 dreigde de Achterdam te verdwijnen. Er moest een brede verkeersstraat komen.

Achterdam in sloopzone
De Achterdam ligt begin jaren zestig in de ‘slooplinie’ van de stedenbouwkundige plannenmakers die van zuid naar noord een brede verkeersader door de stad hebben gepland. Wieger Bruin is de bedenker van het plan. Vanaf de Nieuwlandersingel is een brede strook door de stad gepland naar de Kanaalkade, ter hoogte van de Friesebrug. Bestaande gevelwanden moeten worden gesloopt, gevels doorbroken, grachten gedempt (Verdronkenoord, Kooltuin) om plaats te aken voor het verkeer. De oostelijke gevelwand zal ook moeten worden opgeofferd. In 1967 komt het beroemde basisplan in de gemeenteraad. Een nipte meerderheid zet een streep door de rekening van de sloopgrage stedenbouwkundige.

Inmiddels heeft de gemeente een groot aantal panden aangekocht in de ‘sloopzone’. Aan de Achterdam was men nog net niet toegekomen.


Rob de Nijs
Rob de Nijs slijt in 1967 op de Achterdam een donkere periode in zijn artiestenloopbaan op de Achterdam. Hij bewoont de bovenverdieping in het pand nr. 35: Boardplaten voor kapotte ruiten en spaarzaam uitzicht op het grachtje de Kooltuin. Rob (24) woont er met zijn vriendin Janke Smit en hun tweejarig dochtertje Suzanne. De zanger werkt aan zijn comeback, zoals hij dat zelf noemt. Hij heeft net een circusavontuur achter de rug.
Vijf jaar eerder wint hij een talentenjacht met zijn band Rob de Nijs & The Lords. De eerste prijs is een platencontract. De eerste singel met ‘De liefste die ik ken flopt’. De tweede (Jenny) ook. Nummer drie in 1963 met ‘Ritme van de regen’ is een schot in de roos. Er worden 100.000 exemplaren verkocht. Dat jaar doet Rob de Nijs mee aan het songfestival in Knokke.

Twee jaar later is het uit. The Lords en De Nijs gaan uit elkaar. De zanger gaat werken bij Circus Boltini. Samen met collega-zanger Johnny Lion leidt hij één seizoen lang een nomadenbestaan.

Aan de Alkmaarse Achterdam vindt hij een vervallen bovenwoning. Rob kiest voor Alkmaar voor de rust. Hij heeft er 444 voorstellingen bij Boltini opzitten. Rob komt ook bij van de negatieve publiciteit die hij kreeg in De Telegraaf. Henk van der Meijden laat de Amsterdammer diep vallen. Maar nu roept Duitsland. ‘The New sound’ is de naam voor een nieuw orkest met bekende musici als Dik Kaart en Lu Sanet van de Dutch Swing College Band, Bertil Voller, Fred Pronk en Henk Elkerbout. Philips Tone contracteert de band voor een aantal Duitse platen.
Het lijkt weer de goede kant op te gaan. Op het vervallen bovenkamertje in de Achterdam zegt Rob:
‘Vorige week tijdens de Funkausstellung in Berlijn raakte ik in contact met showmaster Chris Howland. Chris is een genaturaliseerde Engelsman en heeft mij gecontracteerd voor een optreden in zijn show voor de Duitse televisie'. Rob heeft er veel moeite mee dat hij in Nederland verguisd is door het publiek. 'ik werk nu aan mijn comeback. De mensen moeten de Rob de Nijs van vroeger vergeten’.

Kort daarop trouwt De Nijs met Elly Hesseling en vertrekt naar zijn geboortestad Amsterdam. In 1969 breekt Rob de Nijs weer door als hij als Bello Billy Biggelaar een rol krijgt in de tv-serie ‘Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer?’ en in 1970 in de musical ‘Salvation’. Zijn contact met tekstschrijver en componist Lennart Nijgh verzekert Rob de Nijs van langdurig succes. Later wordt De Nijs de levenspartner van de tekstschrijfster Belinda Meuldijk tot 2006. In 2009 is De Nijs eregast bij ‘De Toppers in Concert’.

De buurtbewoners ondervinden overlast van stapvoets rijdende auto's.
Rechts onderaan de Achterdam anno 1980.

072 515 06 29